De beste vraag is: waarom niet?

0 Posted by - June 15, 2018 - orgaantransplantatie

ORGAANDONATIE VOLGENS FILOSOOF ELLEN TER GAST 

Per 1 juli 2020 gaat de nieuwe donorwet in. Hier was veel om te doen. Voor- en tegenstanders voeren nu nog steeds heftige discussies over wat ze er goed en fout aan vinden. Aanleiding om Ellen ter Gast (filosoof & bioloog), aan de hand van 4 filosofische thema’s, te vragen naar haar visie op orgaandonatie. 

TEKST: IVO BOLECH / FOTO’S: SANDER KONING 

1. Wat is goed? 

‘In de filosofie zijn er eigenlijk 3 hoofdvragen: hoe weet je wat waar is, hoe weet je wat goed is en hoe weet je wat mooi is? Variant op de tweede vraag is: wat is een goed leven? Veel mensen zullen zeggen dat je een goed leven hebt gehad als je lang in goede gezondheid hebt geleefd, zonder ongemakken. Persoonlijk definieer ik een goed leven vooral als een leven waarin je jezelf hebt kunnen ontplooien en wanneer je je hebt ingezet voor de maatschappij. Daar past orgaandonatie uiteraard uitstekend bij.’ 

2. Zelfbeschikking 

‘Wat mij betreft bepaalt iedereen zelf of hij na overlijden orgaandonor wil zijn en hebben nabestaanden minder daarover te zeggen. Het gaat om jouw eigen lichaam, dus moet het ook jouw eigen keuze zijn. Ik vind het dus goed dat de overheid de samenleving nu meer gaat stimuleren een keuze te maken via de nieuwe donorwet. Natuurlijk moet je nabestaanden wel goed blijven informeren over de keuze die hun dierbaren gemaakt hebben en wat dat precies inhoudt.
Er zijn mensen die vinden dat zij nog veel meer zeggenschap moeten krijgen over hun keuze, zij willen bijvoorbeeld bepalen naar wie hun organen gaan na hun overlijden. Op zich snap ik die denkwijze, maar ja, die brengt mij dan op nóg een filosofische vraag: wat is rechtvaardig? Er valt bijvoor- beeld veel voor te zeggen dat jonge mensen de meeste organen krijgen; zij hebben de langste levensverwachting: organen die zij ontvangen zullen gemiddeld langer mee gaan. Of kies je ervoor dat mensen van wie je zeker weet dat die goed voor hun orgaan zorgen, voorrang krijgen? Het is verleidelijk om voor dergelijke opties te kiezen, maar een gevolg is dat een aantal mensen nooit meer van de wachtlijst afkomt en dat deze ellenlang wordt. Zelf kies ik voor een andere benade- ring: ik draag al sinds mijn 18e een donorco- dicil en laat het na mijn overlijden liever over aan de medisch specialisten om vast te stellen bij welke ontvangers mijn organen het best passen. Ik ga dus voor een ratione- le in plaats van een emotionele keuze; als je namelijk zelf kiest naar wie je organen gaan, sluit je mensen uit en discrimineer je altijd.’ 

3. Eigenbelang 

‘Anders ligt het naar mijn idee als iemand bij leven een nier doneert. Dan vind ik het tot op zekere hoogte wél gerechtvaardigd dat diegene bepaalt naar wie de nier gaat. Als levende donor loop je toch risico. Daar mag dan best tegenover staan dat je zelf bepaalt wie jouw nier krijgt. Wat voor mij ook meespeelt, is dat ik vind dat je bij leven meer zeggenschap hebt over je lichaam dan wanneer je overleden bent; na je dood ben je er zelf eigenlijk niet meer. Bij punt 4 straks meer hierover. 

Ik ben er tegen om donoren een geldbedrag te betalen voor hun nier, tegelijk sta ik niet afwijzend tegenover een andere vorm van beloning, denk bijvoorbeeld aan een levenslange gratis zorgverzekering. Belonen kan helpen om het tekort aan donoren tegen te gaan, maar ik ben er voor- stander van dat dit dan door de overheid wordt gereguleerd. Bij het betalen van geld via een vrije markt loop je het risico op uitbuiting of dat alleen rijke patiënten een nier kunnen krijgen. Best raar dat ‘we’ zo moeilijk doen over een vorm van beloning. Schijnbaar raakt dat onze onderbuik- gevoelens. Door mijn werkervaring en als lid van ethische commissies heb ik geleerd dat 1 van de beste vragen in de bio-ethiek is: waarom niet? Als je een beloning voor nierdonoren goed en rechtvaardig kunt organiseren, waarom zou je dat dan niet doen? 

Zijn er echt mensen die wel een orgaan willen ontvangen als dat nodig is, terwijl ze zelf geen donor willen zijn? Dat verbaast me echt. Principieel niet doneren, maar wel willen ontvangen: dat klinkt niet logisch.’ 

4. Lichaam en geest 

‘Veel mensen geloven in een ziel en dat een lichaam pas geschikt is voor donatie als de ziel is vertrokken. Maar ja, wat is de ziel en waar zit die dan in het lichaam? Je kunt de ziel immers niet zien. In dit verband snap ik best dat mensen argwanend zijn over hersendood. Omdat het lichaam aan machines ligt, ziet het er niet dood uit. We accepteren pas dat iemand is overleden als diegene er ook dood uitziet: niet-ademend, zonder normale lichaamskleur… Als je lichaam en geest als gescheiden ziet, is donatie in principe geen probleem. Beschouw je lichaam en geest als 1 geheel, dan wel. Dan snijd je met de transplantatie een stukje van de ziel weg. Dat wil niet zeggen dat ik in de ziel geloof. Wel geloof ik in de symboliek van het geschenk. Het is een mooi idee dat je door organen af te staan mogelijk een ander leven redt. Als filosoof begrijp ik dat mensen die een meer mystiek wereldbeeld heb- ben, heel goed bezwaren kunnen hebben tegen orgaandonatie. Ik verwacht wel dat zo iemand dan consequent is. Niet geven, betekent ook: niet ontvangen. 

Als bioloog snap ik de aarzeling om donor te worden niet: na overlijden heb je zelf je lichaam en organen niet meer nodig. Na overlijden ben je er als persoon niet meer, het mysterieuze, het wonderlijke is verdwenen.’ 

BRON: Wisselwerking, uitgave van de Nierpatiënten Vereniging Nederland nr. 3 – juni 2020